De golfregels, in de volgorde van een ronde
Golf speel je over 18 holes, of 9, waarbij je de bal in zo min mogelijk slagen in de hole speelt. Twee afspraken lopen door alle regels heen: je speelt de baan zoals je hem aantreft en de bal zoals hij ligt. De uitzonderingen daarop zijn de regels, en die hangen af van het gebied waarin je bal ligt. Er is geen scheidsrechter: je telt zelf, je past je eigen straf toe en je mag de regels tijdens je ronde altijd opzoeken. Hieronder staan ze in de volgorde van een ronde.
Je hoeft deze pagina niet uit te lezen. Spring naar wat je zoekt:
- Golf in het kort
- De geest van het spel
- Jij past de regels toe
- De baan: vijf gebieden
- Je clubs en je bal
- Veiligheid
- Speeltempo en de baan
- De afslagplaats
- De bal zoals hij ligt
- Droppen en ontwijken
- De bunker
- Water: geel en rood
- Slag en afstand
- De green
- Strokeplay en Stableford
- Handicap 54 en het examen
Verderop houd je deze lijst bij de hand: klik boven in de balk op Spelregels.
Golf in het kort
Een baan heeft achttien holes, of negen als hij kleiner is. Elke hole is een eigen stuk baan: hij begint op de afslagplaats en eindigt in een gat van 10,8 centimeter in een kortgemaaide vlakte, de green. Golfers zeggen hole tegen allebei: het gat en het hele stuk baan.
Je doel is eenvoudig: sla de bal in zo min mogelijk slagen in de hole. Elke slag telt, ook de misser waarbij je de bal niet raakt. Ligt de bal stil in de hole, dan is hij uitgeholed en loop je naar de volgende afslagplaats. Je score voor de ronde is het totaal van al je slagen plus de strafslagen die je onderweg opliep.
De twee grondbeginselen zie je in bijna elke regel terug. Je speelt de baan zoals je hem aantreft: geen tak afbreken, geen gras plattrappen, geen kuiltje vlakker maken. En je speelt de bal zoals hij ligt: in een voetstap in het zand, in lang gras, tegen een boomwortel. Alle uitzonderingen daarop staan hieronder, en die kosten soms een strafslag en soms niets.
De geest van het spel
De regels beginnen met wat ze van elke speler verwachten, en dat is meer dan de letter van de regel. Golfers noemen het de etiquette, en het examen ook: tien van de dertig vragen gaan erover. Het bestaat uit drie normen.
- Integer handelen: je houdt je aan de regels, past elke straf toe die je oploopt en bent in alles eerlijk. Ook als niemand het ziet, en juist dan.
- Rekening houden met anderen: je speelt vlot, je let op de veiligheid van anderen en je leidt niemand af. Sla je een bal richting mensen, dan roep je meteen hard fore.
- Zorg voor de baan: je legt plaggen terug, harkt bunkers aan, repareert pitchmarks en beschadigt de baan niet onnodig.
Op de normen zelf staat geen strafslag, maar wie zich ernstig misdraagt kan door de wedstrijdleiding uit de wedstrijd worden gezet, en veel banen hebben een eigen gedragscode als Plaatselijke Regel. Belangrijker: je medespelers onthouden het.
Jij past de regels toe
Golf heeft geen scheidsrechter die je op de vingers tikt. Je wordt geacht te weten wanneer je een regel overtreedt, en je past de straf zelf toe. Ken je een straf en pas je hem opzettelijk niet toe, dan ben je gediskwalificeerd. Twijfel je, dan mag je de wedstrijdleiding om hulp vragen; is er niemand, dan speel je door en leg je het na afloop voor.
Veel regels vragen je om een plek te bepalen: waar je bal het water in ging, waar hij lag voordat hij bewoog. Dat kan niet altijd op de centimeter. Doe je eerlijk en zorgvuldig wat je redelijkerwijs kunt, dan blijft je inschatting staan, ook als achteraf blijkt dat het net anders was.
De regels kennen drie niveaus van straf. Eén strafslag krijg je bij kleine overtredingen en als je met straf ergens anders mag spelen. De algemene straf is twee strafslagen in strokeplay en verlies van de hole in matchplay; die krijg je voor de meeste andere overtredingen. En daarboven staat diskwalificatie, bij ernstig wangedrag en als je score niet klopt.
De baan: vijf gebieden
Elke keer dat je bij je bal aankomt, stel je jezelf één vraag: in welk gebied ligt hij? De regels delen de baan in vijf gebieden: het algemene gebied, de afslagplaats van de hole die je speelt, alle bunkers, alle hindernissen en de green van de hole die je speelt. Het gebied bepaalt wat je mag.

Je bal ligt in een bijzonder gebied zodra een deel van de bal dat gebied raakt. Ligt hij tegelijk in twee bijzondere gebieden, dan gaat hindernis voor bunker en bunker voor green. Raakt hij geen enkel bijzonder gebied, dan ligt hij in het algemene gebied: fairway, rough, bomen, de voorgreen, en ook de greens en afslagplaatsen van andere holes.
Buiten de baan is geen gebied van de baan. De grens staat met witte palen of een witte lijn aangegeven, en je bal is er pas buiten als hij er helemaal buiten ligt. Gele en rode palen markeren een hindernis, blauwe palen grond in bewerking. Een losse hindernispaal mag je weghalen; witte palen blijven altijd staan.
Je clubs en je bal
Je mag een ronde beginnen met maximaal veertien clubs en er tijdens de ronde nooit meer bij je hebben. Alle clubs tellen mee, ook de putter. Met minder beginnen mag, en dan mag je aanvullen. Een club lenen van een andere speler op de baan mag niet: ieder speelt met zijn eigen clubs.
Ontdek je onderweg dat je er vijftien hebt, dan kost dat twee strafslagen per hole waarop je die club bij je had, met een maximum van vier voor de hele ronde. Neem hem meteen uit het spel en zeg dat hardop. Breekt een club tijdens de ronde, dan mag je ermee doorspelen, hem repareren of hem vervangen, zolang de schade niet door misbruik kwam.
Je begint elke hole met één bal en speelt die hole ermee uit; tussen twee holes mag je wisselen zo vaak je wilt. Is je bal tijdens de hole duidelijk ingesneden of gebarsten, dan mag je hem na markeren vervangen; is hij alleen vies of bekrast, dan niet. Zet een eigen merkteken op je ballen en zeg op de eerste tee welk merk en nummer je speelt.
Een afstandsmeter of een app mag je gebruiken om afstanden te meten, maar niet voor het hoogteverschil of de wind, en ook niet om je een club te laten adviseren. Zet die functies uit.
Veiligheid gaat voor
Een golfbal verlaat de club bij een goede afslag met zo'n 200 kilometer per uur. Daarom slaat niemand zolang er iemand binnen bereik staat, en dat is verder dan je denkt. Kijk voor elke slag waar de groep voor je is, waar de groep op de hole ernaast is en waar je medespelers staan. Twijfel je of het al kan, dan kan het nog niet.
Vliegt een bal richting mensen, dan roep je zo hard als je kunt fore, meteen en in de richting van het gevaar, ook als een ander de bal sloeg. Hoor je fore, kijk dan niet om: hoofd omlaag, armen om je hoofd, rug naar het geluid. Bij onweer mag je zelf stoppen met spelen, zonder op iemand te wachten.

Speeltempo en zorg voor de baan
Achttien holes horen in ongeveer vier uur klaar te zijn. In strokeplay mag je daarom ready golf spelen: je slaat zodra je klaarstaat en het veilig is, ook als je volgens de volgorde nog niet aan de beurt bent. Zodra je aan de beurt bent, hoor je je slag binnen 40 seconden te doen. Onnodig oponthoud levert wel straf op: eerst één strafslag, dan twee.
Je tempo meet je aan de groep vóór je. Verlies je een hele hole afstand en staat de groep achter je te wachten, dan laat je die door. Verder: zet je tas alvast aan de kant van de volgende afslagplaats, verlaat de green meteen als iedereen heeft uitgeholed en noteer de scores op de volgende tee.
Zorg voor de baan is net zo concreet. Leg je plag terug en stamp hem aan. Repareer je pitchmark meteen, van de zijkant naar het midden, zonder de grond op te tillen. Hark de bunker zodra je bal eruit is en leg de hark terug zoals de baan het wil. En blijf met je trolley van de green en de afslagplaats af.
De afslagplaats
De afslagplaats is een rechthoek: de voorkant is de lijn tussen de voorste punten van de twee teemarkers, de zijkanten lopen daarvandaan recht naar achteren en de diepte is twee clublengtes. Je bal ligt erop als een deel van de bal hem raakt of erboven is; je voeten mogen erbuiten staan.

Hier mag je juist wél verbeteren: het gras achter je bal plattrappen, zand aandrukken, gras buigen en dauw wegvegen. Alleen de teemarkers blijven staan; verzetten kost twee strafslagen. Valt je bal van de tee voordat je slaat, dan zet je hem zonder straf opnieuw op. Mis je de bal helemaal, dan telt die slag wél.
Sla je van buiten de afslagplaats, ook een centimeter voor de markers, dan kost dat in strokeplay twee strafslagen en moet je opnieuw van binnen de markers spelen; die eerste slag telt niet mee. In matchplay is er geen straf, maar mag je tegenstander de slag laten overdoen.
Op de eerste hole bepaalt de startlijst of een loting wie begint. Daarna heeft de speler met de laagste brutoscore op de vorige hole de eer. Na de afslag speelt steeds de bal die het verst van de hole ligt als eerste, al mag je in strokeplay ready golf spelen.
De bal spelen zoals hij ligt
Zodra je bal stilligt, mag je vier dingen niet verbeteren: de ligging van je bal, de ruimte voor je stand, de ruimte voor je swing en je speellijn. Geen tak wegbuigen, geen gras plattrappen achter je bal, geen zand wegvegen, niets verplaatsen dat groeit of vastzit. Dat kost twee strafslagen.
Wat wel mag: je voeten stevig neerzetten, op een redelijke manier bij je bal komen en een stand innemen, je club licht op de grond laten rusten en je slag maken, ook als je club daarbij een tak raakt. Wie een tak breekt tijdens de slag zelf, heeft niets fout gedaan; wie hem vooraf wegbuigt, wel.
Losse natuurlijke voorwerpen, zoals een blad, een takje of een steen, mag je overal weghalen, ook in de bunker en de hindernis. Maar beweegt je bal daardoor, dan kost dat één strafslag en plaats je hem terug. Bij een los obstakel, zoals een hark of een flesje, is een bewegende bal juist geen straf.

Beweegt je bal voordat je slaat, dan bepaalt de oorzaak wat je doet. Deed je het zelf, buiten de green, dan is dat één strafslag en plaats je hem terug. Deed de wind het, dan speel je van de nieuwe plek zonder straf. Deed een dier, een toeschouwer of een medespeler het, dan plaats je hem terug zonder straf.
Advies vragen mag alleen aan je caddie, en geven mag niet: welk ijzer iemand sloeg, hoe hij de slag doet, hoe de green loopt. Dat kost allebei twee strafslagen. Afstanden, waar de vlag staat en waar de hindernis begint, mag iedereen je zeggen.
Droppen en ontwijken zonder straf
Van een plas, grond in bewerking, een gat van een dier of een vast obstakel zoals een sproeikop mag je buiten een hindernis zonder straf ontwijken. Je bepaalt het dichtstbijzijnde punt zonder belemmering, meet daarvandaan één clublengte niet dichter bij de hole, en dropt in dat gebied.

De bal moet in de dropzone tot stilstand komen. Rolt hij eruit of dichter bij de hole, dan drop je opnieuw; rolt hij de tweede keer weer weg, dan plaats je hem op de plek waar hij bij die tweede drop de grond raakte. Verkeerd gedropt en gespeeld kost één strafslag, of twee als de bal buiten de dropzone lag.
Moet je bal juist terug op zijn oude plek, dan markeer je eerst: een balmarker direct achter of naast de bal. Opnemen zonder markeren kost één strafslag. Een bal die je opneemt om te ontwijken of van de green mag je schoonmaken; een bal die je opneemt om hem te herkennen alleen zover als nodig.
Ook een ingebedde bal, die door je eigen slag in zijn eigen pitchmark zit, mag je in het algemene gebied zonder straf ontwijken, en van de green van een andere hole móét je ontwijken. In een hindernis bestaat ontwijken zonder straf niet.
De bunker
Je bal ligt in de bunker als een deel van de bal het zand binnen de rand raakt. Ligt hij op gras, op de graslip of op de wand van aarde, dan ligt hij in het algemene gebied en gelden de gewone regels.
Voor je slag mag de club het zand niet raken: niet om te testen, niet vlak voor of achter de bal, niet bij een oefenswing en niet in je backswing. Elk daarvan kost twee strafslagen. Je mag wel je voeten ingraven, harken uit zorg voor de baan, je tas in het zand zetten en losse takjes en de hark weghalen.

Zodra je bal de bunker uit is, mag je alles harken. Ligt hij er nog in, dan wacht je daarmee: zand gladharken dat je volgende slag makkelijker maakt kost twee strafslagen. Ligt je bal onspeelbaar onder de lip, dan heb je drie opties binnen de bunker voor één strafslag, of eruit recht naar achteren voor twee.
Water: de gele en de rode hindernis
Elke vijver, sloot en beek is een hindernis, ook als hij droogstaat, net als elk gebied dat de baan als hindernis heeft aangewezen. De grens staat met gele of rode palen of lijnen aangegeven en loopt recht omhoog, dus een bal in een boom boven het water ligt erin. Ontbreekt de kleur, dan is de hindernis rood.
Spelen zoals hij ligt mag gewoon, zonder straf en zonder bijzondere beperkingen: je mag je club neerzetten, het water raken en losse takken weghalen. Wil je eruit, dan kost dat één strafslag, en draait alles om het punt waar je bal de grens voor het laatst kruiste.

Bij geel heb je twee opties: slag en afstand, of recht naar achteren op de lijn van de hole door dat kruispunt, zo ver terug als je wilt. Bij rood komt daar een derde bij: zijwaarts, twee clublengtes vanaf het kruispunt, niet dichter bij de hole en niet in de hindernis.
Je hoeft je bal niet gevonden te hebben, als het maar bekend of praktisch zeker is dat hij in de hindernis ligt. Twijfel je, dan is hij verloren. En in een hindernis bestaan de uitwegen zonder straf niet: geen tijdelijk water, geen vast obstakel, geen ingebedde bal en geen onspeelbare bal.
Slag en afstand, verloren en onspeelbaar
Slag en afstand is de basis onder alles: één strafslag en opnieuw spelen van de plek van je vorige slag. Vanaf de afslagplaats mag je overal binnen de markers opnieuw opteeën, elders drop je binnen één clublengte van die plek. Je mag het altijd kiezen, waar je bal ook ligt.
Je bal is verloren als je hem niet binnen drie minuten vindt nadat je begon met zoeken. Een bal die daarna opduikt is een verkeerde bal. Verloren buiten een hindernis of buiten de baan betekent slag en afstand; er is geen andere weg, tenzij de baan de Plaatselijke Regel heeft waarmee je met twee strafslagen aan de rand van de fairway mag droppen.

Denk je dat je bal verloren of buiten de baan is, sla dan meteen een provisionele bal, en zeg vóór die slag het woord provisioneel. Doe je dat niet, dan is die bal gewoon je bal in het spel met slag en afstand. Vind je de eerste bal binnen drie minuten op de baan, dan speel je die en tellen de slagen met de provisionele bal niet.
Ligt je bal tussen de wortels of in een struik, dan mag je hem onspeelbaar verklaren; jij bent de enige die dat beslist. Je hebt dan drie opties voor één strafslag: slag en afstand, recht naar achteren op de lijn van de hole door je bal, of zijwaarts binnen twee clublengtes, niet dichter bij de hole. In een hindernis kan het niet.
De green
Je bal ligt op de green zodra een deel van de bal de green raakt; ligt hij op de voorgreen, dan ligt hij in het algemene gebied. Op de green mag je je bal markeren, opnemen, schoonmaken en terugplaatsen, in die vaste volgorde, en de marker gaat weg voordat je putt.

Hier mag je zand en losse aarde wegvegen en schade repareren: pitchmarks, spikemarks en sporen van de vlaggenstok. Verder gaan dan repareren mag niet, en de green testen door er een bal over te rollen ook niet. Beweeg je op de green per ongeluk je eigen bal of je marker, dan is dat zonder straf: terugleggen en doorspelen.
De vlaggenstok mag blijven staan, bediend worden of eruit; je kiest vóór je slag. Raakt je bal de stok terwijl die in de hole staat, dan is er geen straf. Blijft je bal op de rand hangen, dan mag je erheen lopen en tien seconden wachten; valt hij later, dan telt er één slag bij.
Put je vanaf de green en raak je een stilliggende bal die ook op de green lag, dan kost dat in strokeplay twee strafslagen. Vraag een bal in je lijn dus te laten markeren. Speel je van buiten de green, dan is datzelfde geen straf.
Strokeplay, matchplay en Stableford
In strokeplay tel je alle slagen en strafslagen van alle holes op; de laagste totaalscore wint en je speelt tegen iedereen die meedoet. Elke bal moet in de hole: een putt goed geven bestaat hier niet. In matchplay speel je hole voor hole tegen één tegenstander, mag hij je volgende slag geven en is de algemene straf verlies van de hole.
Stableford is strokeplay met punten. Je doelscore is de par plus de slagen die je op die hole krijgt; met handicap 54 is dat par plus drie. Precies je doelscore is 2 punten, één eronder 3, één erboven 1, en meer dan één erboven of geen score 0. Kun je geen punten meer halen, dan pak je op en loop je door.

In strokeplay houdt een marker je score bij: na elke hole noemt hij je brutoscore en noteert die, na de ronde controleer jij, tekenen jullie allebei en lever jij de kaart in. Een te lage holescore is diskwalificatie, een te hoge blijft staan. Optellen doet de wedstrijdleiding.
Je starttijd is exact. Tot vijf minuten te laat kost de algemene straf op de eerste hole, later is het diskwalificatie. Twijfel je tijdens een wedstrijd in strokeplay over een regel, dan speel je de hole met twee ballen, zegt vooraf welke moet tellen en meldt het voordat je je kaart inlevert.
Handicap 54 en het examen
Wie in Nederland de baan op wil, heeft een handicap nodig, en je begint bij 54. Die haal je in drie stappen: de golfbaanpermissie bij een pro of club, het golfregelexamen van de NGF, en een qualifying ronde van negen holes waarin je 19 Stablefordpunten of meer haalt. De eerste twee mogen in willekeurige volgorde.
Het examen bestaat uit 30 vragen: 10 over etiquette, 19 over de regels en 1 over Stableford. Je hebt 60 minuten en 23 goede antwoorden zijn genoeg. Het is open boek, gratis, en je doet het in de app GOLF.NL of klassikaal op een club. Zakken is niet erg: je mag zo vaak opnieuw als je wilt.
Vroeger heette dit het GVB. Die term bestaat officiëel niet meer, maar iedereen op de baan gebruikt hem nog. Met handicap 54 boek je op bijna elke Nederlandse baan een starttijd, en telt elke ronde die je inlevert mee voor je handicap.